> nieuws

Nieuws

 
1 april 2021

FDS-CPT jaaractie Moria Lesbos I

[tik hier voor formele info .pdf]

lees hieronder voor journalistieke narratief;

De droom van Noor
Kinderen hebben dromen, onder andere dromen over ‘wat later te worden’. “Later als ik groot ben …” was een lied dat een kinderkoor zong in het programma Kinderen voor kinderen. “Ik wil later bij de politie, ik wil piloot worden of in de verpleging. Nee, ik wil vrachtwagenchauffeur worden”. 
Zo droomde Noor Alattar, die in de Iraakse hoofdstad Bagdad woonde, zijn grote droom om verslaggever bij de televisie te worden. Noor stond in het middelpunt  tijdens de knutselochtend in twee groepen 7/8 van basisschool Het Mozaïek. Op maandagochtend 29 maart werden dertig poppen beschilderd en aangekleed. Te gast waren Maria (zij sleepte vier volle tassen met kleren aan!), Roelof (‘gewapend’ met stevige takken die het skelet van de poppen zouden vormen) en Jehannes met zijn schooltas-van-vroeger, met daarin het verhaal van Noor. 
Na het luisteren naar het verhaal van Noor en de nodige achtergrondinformatie over vluchtelingenkinderen gingen de handen uit de mouwen: de blanco kartonnen cirkels kregen een gezicht en de stokken (een lange en een korte overdwars) werden aangekleed. 
Dertig in totaal die, na een tussenstop in de tuin van de doopsgezinde kerk aan de Zuidebuurt, verhuisden naar het Noord-Friese dorp Morra waar ze een plek kregen in een weiland. Daar stonden ze tussen meer dan vierduizend andere poppen; om precies te zijn 4.222. Deze 4.222 staan symbool voor het aantal alleenreizende  kinderen (zonder ouders of andere volwassenen!) die in Griekse vluchtelingenkampen – voor het overgrote deel in kamp Moria, op Lesbos – terecht zijn gekomen. Onder de meest erbarmelijke, mensonterende omstandigheden.
De verzamelde kleren werden na Goede Vrijdag verzonden naar kamp Moria, op het Griekse eiland Lesbos. 

Het verhaal van Noor – door Noor zelf verteld
‘Als kind wist ik al dat ik politieke verslaggever wilde worden. Met een kleine camera volgde ik mijn moeder en broers door het huis. In mijn slaapkamer oefende ik voor de spiegel en als ik naar het journaal keek, zoog ik alles in mij op. Dáár wilde ik zijn. Enkele jaren later kreeg ik met mijn zelfgemaakte filmpjes en vlogs succes op social media en daarna rolde ik als vanzelf in het televisievak. Door hard te werken had ik op jonge leeftijd al mijn droom bereikt. Maar door die droom, verloor ik ook bijna mijn leven.’
‘Op de televisie maakte ik programma’s over gevoelige onderwerpen. Over de drugsproblemen in Bagdad, bomaanvallen en over journalisten die zomaar verdwenen. Mensen waarschuwden me, vertelden dat ik gevaarlijk bezig was. Natuurlijk wist ik dat, maar dit is wat ik met heel mijn hart wilde doen. Het echte verhaal moet verteld worden, daar sta ik nog altijd achter.’
‘Op een avond liep ik over straat toen er een geblindeerde auto op me af kwam. Voordat ik goed en wel in de gaten had wat er gebeurde, priemde er al een geweer in mijn rug. Mannen met bivakmutsen op bonden mijn handen vast en smeten me in een auto. Een week lang zat ik opgesloten in een kleine, donkere kamer en werd het leven uit me geslagen. Terwijl ik met mijn voeten vastgebonden aan het plafond hing, sloegen mannen iedere dag op me in met stokken, kabels en glas. Ze dienden elektriciteitsschokken toe en braken mijn hand. De pijn was ondraaglijk en ik wist zeker dat ik zou sterven.’ 
‘Op de laatste dag van mijn gevangenschap verloor ik steeds mijn bewustzijn. Als in een waas herinner ik me dat ik in een auto lag. Later zouden mensen me vertellen dat ik naast een snelweg was gevonden, gewikkeld in doeken. Toen ik bijkwam in het ziekenhuis zaten mijn moeder en broers huilend naast mijn bed en wist ik dat ik Irak moest verlaten. Als ik zou blijven, zou ik doodgaan, dan kun je niet spreken van een keuze. En dat is waarom ik mijn verhaal vertel, zodat mensen begrijpen wat het betekent om vluchteling te zijn.’
‘In kamp Moria werd ik gestript van mijn menselijkheid. Al die brakke tentjes in de wind, overspoelde toiletten, de indringende stank. De eerste dagen in het kamp sliep ik op de grond, omdat er nog gen tent vrij was. Het regende. “Zie me hier nou liggen”, dacht ik. Ik had alles in Irak, maar nu was alles verloren. In dit helse kamp was mijn leven minder waard dan dat van en beest. Was ik echt in Europa aangekomen?’
Eind goed, al goed?
Na een jaar in kamp Moria te hebben ‘gewoond’ (kun je van wonen spreken in zo’n situatie?) kwam Noor terecht in Nederland waar hij twee jaar in een asielzoekerscentrum de asielprocedure heeft moeten ‘ondergaan’, vol angst en nervositeit. Na die twee onzekere jaren kreeg hij het bevrijdende nieuws dat hij in Nederland mocht blijven. 
‘Ik was vrij, maar ben wel mijn familie kwijt, mijn vrienden, mijn baan.’
Noor zegt dat hij in zijn nieuwe land alles, en dan ook alles, zal doen om zijn droom verslaggever/journalist te worden, alsnog te verwezenlijken. 


Terug
 
Meer informatie Facebook   ANBI-register Doopsgezinde Gemeente Drachten-Ureterp
contact maandblad privacy
routebeschrijving nieuwsbrief disclaimer
veelgestelde vragen inloggen colofon
2021 Doopsgezind.nl